Go to top

Drieluik over toepassing van nikkel en nikkellegeringen Deel 2

Warmtebehandeling kan mechanische eigenschappen beïnvloeden
 

In het eerste deel van de drieluik over toepassing van nikkel en nikkellegeringen in de chemische, petrochemische en gaswinningindustrie, zijn de vereiste eigenschappen van genoemde materialen binnen deze omgevingen behandeld. In deel twee van deze drieluik wordt dieper ingegaan op de effecten van warmtebehandelingen en op aandachtspunten bij lassen van nikkel en nikkellegeringen.

Auteurs Robert van Voorsten Karel Bekkers/ Titan Projects


Nikkel en nikkellegeringen kunnen goed stand houden onder hoge en lage temperaturen en sterk uiteenlopende drukken. Hittebestendige nikkellegeringen, zoals NiCr en NiCrFe, kunnen daarbij sterk verschillende mechanische eigenschappen bevatten. De precipiterende elementen zijn hier bepalend evenals de warmtebehandeling die de legering wel dan niet heeft ondergaan.

Warmtebehandeling versus mechanische eigenschappen
 

Een warmtebehandeling, die een nikkellegering ondergaat, kan de mechanische eigenschappen van de betreffende legering beïnvloeden. Het is dan ook zaak om bij de uitvoering van de warmtebehandelingen aan nikkellegeringen de nodige voorzichtigheid te betrachten. Om een optimale bewerkbaarheid te verkrijgen worden deze legeringen vaak in zachtgegloeide toestand aangeleverd. Men moet voor het lassen eerst een spanningsarm of zacht gloeibehandeling toepassen, indien zware deformaties, zoals buigen of het zetten van bodems, nodig zijn voor het lassen. Wordt de constructie blootgesteld aan een kwik dan wel waterstof/fluor bevattend medium, is spanningsarm gloeien ook noodzakelijk. Hiermee wordt spanningscorrosie voorkomen.
Betreft de toegepaste legering een precipitatiehardende uitvoering, dient deze snel opgewarmd te worden tot oplosgloeitemperatuur. Daarbij moet het temperatuurgebied tussen de 600°C en 700°C in de kortst mogelijke tijd worden gepasseerd om uitharding en daarmee het teruglopen van de rek te voorkomen. In figuur 1 wordt dit zichtbaar gemaakt.
 

Figuur 1: Het verloop van de rek bij een NiCr15Fe7 TiAINb-legering als functie van de temperatuur en de opwarmsnelheid.

Bestaat de warmtebehandeling uit meervoudige verhitting of verblijft het materiaal langdurig op een temperatuur van circa 900°C, treden er uitscheidingen op in de vorm van NiMo3 en/of NiMo4. Deze uitscheidingen van nikkelmolybdeenlegeringen veroorzaken een gevoeligheid van de legering voor interkristallijne corrosie. Door te gloeien op een temperatuur van 1.150°C gedurende 20 à 30 minuten, kan dit verschijnsel weer teniet worden gedaan.
Richtlijnen voor de te volgen temperaturen bij warmtebehandelingen aan nikkel en enkele nikkellegeringen vindt u terug in tabel 1.

Toepassingen bij hoge temperaturen kan in bepaalde gevallen leiden tot problemen. Een AISI 310 materiaal, een legering met 25% Cr, 20% Ni en 0,1% C is uitstekend toepasbaar bij hoge temperaturen, echter bij 800°C verbrost deze legering sterk door de vorming van sigma-fase (zie foto 1).
 

Tabel 1: Richtlijnen voor meerdere warmtebehandelingen aan nikkel en enkele nikkellegeringen

Foto 1

Foto 2

De gegoten variant van deze legering, ook geschikt voor hoge tot zeer hoge temperaturen, HK40 genaamd, en geschikt in fornuizen, toont hetzelfde verschijnsel, doch in nog hevige mate. (zie foto 2,  HK40)

Deze verbrossing is slechts hinderlijk bij kamertemperatuur en minder bij de zeer hoge temperaturen waarvoor deze legering is ontwikkeld.

Het is dus belangrijk, bij een eventuele afkoeling naar kamertemperatuur, dat men dit zeer langzaam doet zodat bij dalende temperatuur de spanningen die hierbij optreden langzaam kunnen relaxeren.
In het algemeen zijn ook de hoger in Ni gelegeerde materialen voor bepaalde hoge temperatuurtoepassingen met zorg te kiezen.

De grafieken 1, 2 en 3  geven de resultaten weer van lange duur gloeiproeven aan lasmetalen geschikt voor het lassen van alloy 600-601 en 625.
Uit de grafieken blijkt dat in bepaalde temperatuurgebieden een duidelijk achteruitgang is vast te stellen in kerftaaiheid. Het lasmetaal met 70% Ni en 15% Cr verbrost duidelijk minder, wat onder andere is toe te schrijven aan het lagere Cr-gehalte.

Het lasmetaal van de elektroden 60% Ni, 20% Cr, 9% Mo en 3,5% Nb verbrost sterk doch, toont beproefd bij hoge temperaturen een redelijk tot goede kerftaaiheid.
 

Grafiek 1


Aandachtspunten bij lassen van nikkel en nikkellegeringen
Het lassen van nikkel en nikkellegeringen is niet moeilijker dan lassen van bijvoorbeeld corrosievast staal, maar het vraagt wel extra aandacht voor enkele specifieke maatregelen en aspecten, die in meer of mindere mate gelden voor elk toe te passen lasproces. Aandachtspunten, om tot een goede en sterke las te komen, zijn de volgende:

- reinigen lasnaad en verwijderen oxidehuid;
- dikvloeibaarheid van hoog nikkelhoudend lasmetaal;
- relatief kleine inbrandingsdiepte; en
- voorkomen van warmscheuren.

Reinigen lasnaad en verwijderen oxidehuid
Voor het succesvol lassen van nikkellegeringen is schoon werken de belangrijkste voorwaarde. De lasnaad en de directe omgeving moeten onder andere vrij van vet, olie en andere verontreinigingen zijn. Schadelijke stoffen zijn te verdelen in twee belangrijke groepen:
- dikke oxidelagen; en
- scheurbevorderende resp. verbrossende elementen.

- Dikke oxiden ontstaan bij bedrijfstemperaturen van > 540°C. In tegenstelling tot ijzeroxide smelt nikkeloxide (smeltpunt: 2.100°C) tijdens het lassen niet mee met het plaatmateriaal. Hierdoor kunnen insluitsels en bindingsfouten ontstaan. Met name insluitsels zijn moeilijk te ontdekken met röntgen- of penetrant onderzoek.
De oxidehuid van de te lassen naad mag niet te dik zijn. Dit kan worden gecorrigeerd door te slijpen, glasstralen of beitsen. Borstelen is niet voldoende, ook al lijkt het materiaal voor het oog schoon. Ditzelfde geldt voor een TIG-staaf, een MIG-draad of een onderpoederdek-draad.

- Scheurbevorderende resp. verbrossende elementen moeten worden verwijderd. De meest voorkomende elementen zijn: zwavel, lood, fosfor, bismut, antimoon, tin en arsenicum. Deze elementen zijn terug te vinden in bronnen als: markeer- en temperatuurkrijt; werkplaatsvuil; smeermiddelen; verpakkingsmaterialen; olienevels van bijvoorbeeld compressoren en loden hamers.
 

Grafiek 2
 

Grafiek 3

Afhankelijk van de soort verontreiniging wordt er voor een specifieke reinigingsmethode gekozen.
Met methylalcohol (of een ander organisch oplosmiddel) wordt werkplaatsvuil, olie en vet verwijderd. Methyleenchloride of alkalische oplosmiddelen worden gebruikt voor de verwijdering van andere stoffen, zoals verf. Bij gebruik van methyleenchloride en aceton in een gesloten ruimte is het noodzakelijk te zorgen voor een goedwerkende afzuiging.
Als de gelaste constructie na het lassen een warmtebehandeling moet ondergaan, dient over een afstand van minimaal 50 mm aan weerszijden van de las te worden gereinigd.

Foto 3 geeft een indruk van de scheurvorming, welke kan optreden, indien het te lassen materiaal niet goed is gereinigd alvorens te lassen. In het onderhavige geval werd een proefplaat uit alloy 800 materiaal in de aangeleverde toestand  (een weinig vettig) gelast.
Uit de dwarsdoorsnede over deze las is een microscopische opname gemaakt waarbij duidelijk scheuren in het lasmetaal te zien zijn, welke doorlopen in het basismateriaal.
 

Foto 3


Dikvloeibaarheid van hoog nikkelhoudend lasmetaal
Het lasmetaal van hoog nikkelhoudend lastoevoegmateriaal is relatief dikvloeibaar. Dat wil zeggen dat de lasser het lastoevoegmateriaal als het ware moet brengen. Daarbij mag geen te grote zwaaibeweging worden gemaakt, daar dit te hoge warmte-inbreng kan veroorzaken, met warmscheuren als ongewenst effect. De beste warmte-inbreng is van 1 tot 1,5 kJ/mm. Wil men de vloeibaarheid bij lassen met beklede elektroden verbeteren, moet worden gezorgd voor een niet te hoge lasstroom. Ongewenste effecten, die anders kunnen optreden, zijn: een oververhit smeltbad; het verbranden van noodzakelijke legeringselementen uit de bekleding, waardoor porositeiten kunnen ontstaan; en het loslaten van de elektrodebekleding.

Voor het realiseren van een goede lasverbinding dient de lasnaad te worden aangepast. Daarbij moet de openingshoek worden vergroot – ofwel het staande deel moet worden verkleind – en de vooropening moet nauwkeurig worden aangepast aan de te lassen dikte.

Relatief kleine inbrandingsdiepte
In vergelijking met bijvoorbeeld ongelegeerd staal en corrosievast staal is de inbrandingsdiepte bij het lassen van hoog nikkelhoudende legeringen gering. Dit is een aandachtspunt waarmee al bij het realiseren van het ontwerp rekening moet worden gehouden. De lasstroom mag in ieder geval niet worden verhoogd.

Voorkomen van warmscheuren
Het lassen van hoog nikkelhoudende legeringen geeft over het algemeen weinig problemen. Belangrijk daarbij is dat er schoon wordt gewerkt. Door daar de nodige aandacht aan te besteden kan warmscheuren worden voorkomen. Een combinatie van de volgende factoren zijn van belang voor het optreden van warmscheuren:
- aanwezigheid van verontreinigingen die leiden tot laagsmeltende fasen; en
- aanwezigheid van spanningen, hetzij lasspanningen, hetzij spanningen die ontstaan als gevolg van kouddeformatie.

Lasnaadspanningen kunnen niet worden vermeden, maar wel worden geminimaliseerd. Dit door een goed overwogen lasnaadvoorbewerking en lasnaadvulling. In bepaalde toepassingen, zoals bij constructies met een hoge inwendige spanning, is het raadzaam om vóór het lassen de legering te gloeien. Het vooraf gloeien is zelfs noodzakelijk als de inwendige spanning, bijvoorbeeld door een aanzienlijke kouddeformatie, erg hoog is.
Overigens zijn niet alle nikkellegeringen even gevoelig voor warmscheuren. Het meest gevoelig zijn legeringen met een 30 tot 40% nikkelgehalte en een 20 tot 30% chroomgehalte.

Van invloed is ook de lasmethode; er moet een zo laag mogelijk spanningsniveau worden nagestreefd, waarbij de lasverbinding zo vrij mogelijk zou kunnen krimpen. De lasser zal moeten lassen in dunne snoeren, dus met een relatief hoge lassnelheid en met een lage warmte-inbreng (circa 1 tot 1,5 kJ/mm). De lasrupsen dienen daarbij eerder bol dan hol te zijn, omdat in het tweede geval sneller warmscheuren kan optreden. Vanwege die lage warmte-inbreng is voorwarmen niet aan te raden, hoewel het gebruik van een brander soms noodzakelijk is om condensatie van koude werkstukken te voorkomen. De tussenlaagtemperatuur mag daarbij niet de 150°C overschrijden, waardoor er soms een wachttijd moet worden ingelast tussen de gelaste rupsen.
De chemische samenstelling kan ook de taaiheid en de weerstand tegen warmscheuren beïnvloeden. Zo wordt de warmscheurgevoeligheid van NiCrFe-legeringen beïnvloed door de elementen koolstof (C) en Silicium (Si). Een juiste onderlinge afstemming van deze elementen kan zorgen voor een positief effect.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deel 2. In het volgende en laatste deel komen de verschillende lasprocessen aan bod, die geschikt zijn voor nikkellegeringen.
 
Klik hier voor deel 1.

Klik hier voor deel 3.


Nieuwsbrief

Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van alle niet te missen ontwikkelingen in de Aluminium en Roestvast Staal branche.

Velden met een * zijn verplicht